ERIK CHIAFELE

 

 

Babbelen over stijl betreft doorgaans een zoektocht naar de gemene deler van verschillende werken uit een periode of uit een bepaald œuvre van een specifieke kunstenaar. Het woord stijl komt van het Latijn, waar de stilus een griffel is. Als zodanig verwijst het woord naar het handschrift van een kunstenaar, naar de manier waarop hij werkt. In combinatie met het citaat van Grünbein zou ik zeggen: stijl is de manier waarop een kunstenaar stilstaat. De sterke morfologische overeenkomstigheid van beide woorden — stijl en stil — komt daarbij mooi van pas.
Wat is nu Chiafele’s stijl? Hoe staat de schilder stil? De sujets van zijn werken zijn zeer uiteenlopend; wat we zien zijn (zelf)portretten, interieurs, details van lichamen en enkele intericonische referenties naar andere werken uit de beeldende kunst. De vraag is wat deze verschillende sujets bindt, wat een Chiafele tot een Chiafele maakt.

Welnu, we worden voortdurend met beelden geconfronteerd die glad gepolijst, kapotgefotoshopt zijn. Onze blik ketst erop af, omdat er geen frictie plaatsvindt, de beelden geen houvast bieden. Erik Chiafele’s beelden vormen de antithese van deze dagelijkse en schijnbaar algemene imagorroe*.
Ze worden gekenmerkt door een aspect van verstrooiing. Deze verstrooiing betreft het contact tussen de werken en hun toeschouwers dat in en door de blik plaatsvindt. Chiafele’s schilderijen zorgen ervoor dat die blik actief kan verpozen, alsof men strooizout over een spiegelende ijsvlakte gesmeten heeft: de blik kan wandelen, heeft grip. De vormen in Chiafele’s schilderijen zijn meestal met relatief losse penseelstreek geschilderd en worden zo door een zekere openheid – of noem het schijnbare onafheid – gekarakteriseerd.
Op deze manier bieden ze hun toeschouwers houvast en dit zonder dat ze een hapklare betekenis of een easy esthetisch plezier verschaffen; ze doen ons als toeschouwers veeleer talmen, twijfelend proberen.