JEAN-MARIE BYTEBIER

 

 

Landschappen werden geschilderd, of -, als achtergrond van een menselijk tafereel, of – als bezwering van een, in het natuurlijke landschap geprojecteerd gevaar. Bij dat laatste was het schilderij de geruststellende bemiddelaar. Maar eens die bemiddeling wegvalt, wordt de aanschouwer teruggeworpen op zijn eigen blik. Hij moet zich een weg zoeken in een trilling tussen abstractie en herkenbare figuratie. Tussen (schijn)diepte, en dreigende – en vlakke nabijheid. Het werk bemiddelt niet meer. Het spookt en blijft naspoken. De beschouwer kan zich al evenmin situeren in de tijd. De ogenschijnlijke pariteit, het moment na het eerste moment is alweer anders.

Door twee ogenschijnlijke gelijke landschapssnedes te schilderen, wordt duidelijk dat het landschap als zodanig niet bestaat, maar dat het zich via een Gestalt omvormt tot een ervaringsmoment in het hoofd van de beschouwer. Georg Simmel voegt er in zijn Filosofie van het Landschap, nog het begrip “Stimmung” aan toe. De waarnemer beziet de landschapsruimte op één specifiek moment, in de emotionele stemming van dat specifieke moment.

En elke seconde is het beeld anders.
Alle pogingen om landschappen te schilderenzijn – en waren – bedoeld, als middel tot vastzetting, om die vliedende ruimte die het landschap is, binnen dat kader te krijgen. Het landschap en de landschapsschilderij als metafoor voor het eeuwige “framen” van de mens om de realiteit binnen een kader te krijgen. Het landschap verlokt de mens tot kadering, omdat de teruglopende horizon, hem confronteert met een eeuwigdurende middelpuntvliedenheid.
Ook in zijn denken. Op elke gedachte kan een andere gedachte geënt worden. And so on. Maar zoals het denken uiteindelijk enkel in pragmatische conventies is te duwen, zo blijft het landschap telkens weer ontsnappen aan de kadering. De mens kan via zijn lineair bewustzijn focussen op ėén punt of één aspect binnen die landschapsruimte. Desnoods met het vizier van een wapen.

Om het doel te treffen. Maar de oneindigheid die zijn focus omspant, hetzij in de ruimte, hetzij in de immer vliedende tijd, slaat hem terug in de modus van het perifere bewustzijn. Hij wordt daarbij opgenomen in het door hem geconstrueerde Gestalt en bedriegt zichzelf genoegzaam in de probabiliteit van zijn eigen aanname. De landschapsschilderkunst is aangekomen op een punt, waar haar conventies op een verontrustende manier doorprikt worden. De mens rest het, om zijn eigen modus, en in het verlengde ervan, – zijn eigen denken, – scherp te bewaken.
De kortzichtheid van snelle aannames te overstijgen. En aldus moedig de confrontatie met het verontrustende schilderij aan te gaan.

Denis Dujardin, Montalcino 13-8-13