LUCAS DEVRIENDT

 

 

De schilderkunst van Lucas Devriendt (°1955, Leuven) is een antwoord op iets, geen statement. Je kan het misschien een bescheiden respons op de schilderkunst zelf noemen, zoals deze zich tegenwoordig veelal in de hedendaagse kunst manifesteert, maar dan wel enkel binnen haar klassieke mogelijkheden.
De hedendaagse figuratieve schilderkunst lijkt zich vandaag de dag steeds meer bezig te houden met de bevraging van het geschilderde beeld binnen een ‘conceptuele’ (sociaal-maatschappelijke, politieke, historische, mediamieke, etc…) context die zich niet zelden ‘buiten’ het doek bevindt. Soms lijkt het wel of de schilderkunst zélf ten dienste wordt gesteld aan deze conceptueel getinte beeldbevraging, en dit net terwijl schilderkunst vandaag de dag, in deze caleidoscopische kunstwereld met zijn excessieve drang naar betekenisoverdracht, net het medium bij uitstek zou kunnen zijn om terug op zichzelf te plooien, terug in de verf (en bij uitbreiding hiervan: terug in het verhaal of de betekenis die deze verf an sich kan genereren).
Dit wil echter niet zeggen dat Devriendt allergisch zou zijn voor de hedendaagse (beeldbevragende) schilderkunst. Wel integendeel, hij houdt ervan, het daagt hem als kijker uit, maar hij ziet zichzelf – persoonlijk en als schilder – simpelweg hier niet in functioneren.
Mede om deze reden valt Devriendt daarom regelmatig terug op een aantal oerklassieke genres uit de schilderkunst, zoals het portret, het landschap of het stilleven. Meer nog, hij beschouwt deze genres bijna als een excuus om voluit te kúnnen schilderen, tout court en met zo weinig mogelijk conceptuele bagage. Waarmee allerminst beweerd wordt dat Devriendt deze genres enkel vrijblijvend aanwendt als vehikel om zijn persoonlijk schilderkunstige plezier op bot te vieren, wel integendeel. De reeks ‘Life Size’, een serie van 6 levensgrote portretten te zien op deze tentoonstelling, toont aan dat hij wel degelijk zijn kunstgeschiedenis kent, én dat hij zich zeer sterk bewust is van hoe de potentiële kijker deze ‘hedendaags klassieke’ portretten percipieert.
Kunsthistorisch gezien heeft Devriendt zich voor deze reeks losweg laten inspireren door de 17de eeuwse genreschilderkunst, met schilders als Diego Velázquez, Gerard Ter Borgh en Frans Hals, waarin dikwijls portretten van hoogwaardigheidsbekleders geschilderd werden, vergezeld van attributen die hun persoonlijkheid en status symboliseerden. Uiteraard heeft de schilder deze rijkelui vervangen door mensen uit zijn persoonlijke omgeving en attributen die hen na aan het hart liggen.
Op perceptueel vlak getuigt deze reeks van een zeer uitgekiend besef ten opzichte van de blik van de toeschouwer. Devriendt zette zijn levensgrote, full length portretten op op grote doeken met een vierkant formaat (2mx2m), een alles behalve evidente keuze binnen dit soort genre. Op deze manier wordt de aandacht van de kijker als het ware evenredig verdeeld tussen de geportretteerde ‘hoofdfiguur’ én de attributen die deze personages vergezellen. De blik wordt dus genuanceerder gestuurd, het lijkt wel of Devriendt in zijn streefdoel om een doorgedreven karakterschets te maken van zijn modellen hun fysieke kenmerken minstens even belangrijk acht als hun persoonlijke attributen. Het vierkante formaat komt eveneens voort uit Devriendts obsessie voor de polaroidfotografie, waarvan hij er tijdens de poseersessies in zijn atelier soms tientallen neemt, die als hulpstukken dienen voor zijn portretten. Het woord ‘hulpstukken’ is hierbij een belangrijke nuance, want de basis van Devriendts portretschilderkunst ligt wel degelijk vervat in het atelier, en de noodzakelijk daarbij horende live poseersessies. De aanwezigheid van het atelier wordt trouwens overduidelijk afgebeeld in de doeken: op bijna alle werken poseren de modellen voor een leeg schildersdoek van dezelfde afmetingen als de portretten zelf, als was het een soort van ‘achtergrond-voorbode’ van wat het eigenlijke werk zou kunnen worden. Hierdoor krijgen Devriendts portretten een vreemde live-sfeer mee, je voelt als het ware dat het allemaal écht gebeurd is… Hetzelfde geldt voor het rode tafeltje, dat niet enkel in deze reeks een stevige bijrol vertolkt, maar ook regelmatig opdook in vele van Devriendts oudere werken.
Door zijn resolute keuze voor het klassieke portretgenre, gecombineerd met een intelligente beeldmanipulatie waardoor hij de toeschouwer bijna verplicht om mee te gaan in (enkel?) het schilderkunstige verhaal, heeft Devriendts schilderkunst verrassend genoeg iets verademends: hij lijkt zich enkel te willen focussen op genres die de problematiek van het schilderen zélf in zich dragen, en niet de meer conceptuele problematiek van het betekenis genereren. Net om deze redenen is Devriendt eveneens begeesterd door het Impressionisme, met Manet op kop, omdat net deze stroming in élk klassiek schilderkunstig genre (gaande van portret over landschap tot stilleven) verreweg de eerste is geweest waar de schilderkunstige act het overwicht kreeg op de realiteit, zonder deze realiteit te vervormen tot een zogenaamd ‘hedendaags betekenisdragende’ abstractie.
In principe biedt Devriendt ons een beeld op de beperkingen van figuratieve schilderkunst zoals die zich voordoen als je je enkel focust op het schilderkunstige aspect, op beelden die ons niet in de eerste plaats iets zeggen over onze (al dan niet maatschappelijke) ‘betekende’ omgeving, maar ons enkel iets zeggen over the oerbasics van schilderkunst: doek, penseel, verf, model en atelier.
Eigenlijk is Lucas Devriendt een rasechte nicheschilder, maar niet in de puriteinse betekenis van het woord. Hij lijkt me eerder een schilder die bewust de klassieke niche kiest enkel en alleen in functie van zijn schilderkunstige fun. Misschien niet het meest doorwrochte of hedendaagse standpunt, maar het heeft in deze tijden van hysterisch discourskijken op zijn minst een onthaastend effect. Misschien is Devriendts schilderkunst net daarom wel relevant, en dus toch hedendaagser dan gedacht?

Thibaut Verhoeven