MIRJAM DEVRIENDT

 

 

Over mijn zus Mirjam, de fotografe
Soms gaan we samen op stap, in de stad, aan de rand van de stad of zoals nu in een dorp. We zeggen weinig, omdat het landschap toch het laatste woord heeft. We wisselen onze ogen voortdurend onder elkaar uit. Zij kijkt met mijn ogen en ik met de hare. We gebruiken elkaars blik om meer te zien. We wandelen niet alleen meer in het landschap maar ook in de gedachten van de andere. Ze neemt de tijd om te kijken en het is een zaligheid om alleen al in de nabijheid van zo iemand te vertoeven, gewoon samen rondlopen in het nu, in het moment van het zichtbare nu.
En dan is er plots een vergezicht, een landschap dat weigert om uit de weg te gaan. We kunnen niet meer verder. We moeten stilstaan. Ik zie hoe haar oog zich versmalt en hoe het in de verte tuurt. En hoe op het zelfde ogenblik haar mond versmalt en zwijgt. Op dat moment wordt het beeld gebrand op het netvlies, op het lichtgevoelige papier van de ziel. Het fotoapparaat komt tevoorschijn, een donkere kamer waarin door een opening dat beeld wordt gevangen als een platte herinnering. Er wordt een plaat voor geschoven, zoals een voet tussen een deur. Tussen die ene beweging van de plaat die voor het beeld wordt geschoven en die ook weer wordt teruggetrokken, knippert de lens in een fractie van de tijd en belicht de Polaroid. En dan: worden het negatief en het positief van elkaar gescheiden en krijg ik haar blik in mijn hand, zwart op wit.
Lucas Devriendt
2007 Sint-Lievens-Esse