PETER ROGIERS

 

 

Catch Hell Blues (*)

Over de nieuwe sculpturen van Peter Rogiers
De beeldhouwkunst van Peter Rogiers zit verankerd in de letterlijkheid van de foto-
grafische reproductie van de werkelijkheid zoals dat wringend gebeurde met het motief van een menselijke pose die via de fotografie vervormd werd via het tweedimensionaal uitvlakken van verkorte perspectieven.

De taal van Peter Rogiers komt uit domeinen zoals de alternatieve strips of de zwarte wereld van sprookjes die niet zelden de angst op het lijf jagen van de (jonge) gebruikers; het zijn volkse uitingen die het trouwens niet hoog op hebben met de
zogenaamde Hoge cultuur waarin goede smaak het criterium uitmaakt voor kwaliteit en vlot doorstromende distributie binnen het aan elkaar gelinkte markt- en museumcircuit. De kunstwereld houdt er een gang van zaken op na waarin de inhoud van de baan wordt gereden en het kunstwerk vervaagt tot formele “primaire structuren”.
Peter Rogiers zwoegt zich door de materie met kunsthars en gegoten aluminium en poogt een zijdelingse en “andere” beeldtaal te genereren die niet strookt met datgene wat we in “onze” wereld herkennen. Daarin ligt de pit en de kern van reële artistieke
productie – het verlangen in een plastische vorm te kneden die visuele herkenning ondermijnt en de mens op het spoor van de verbeelding rangeert. Peter Rogiers maakte recent nieuwe en zogenaamde “vogelsculpturen” waarin de vogel nog amper een echo van de verbale referentie wordt en de vogel het alibi is geworden om op een vrije manier met abstracte vormen te jongleren die visueel variëren al naargelang de plaats en stand-punt van perceptie.

De sculpturen blijven “menselijk”; ze zijn zichtbaar met “trial & error” gemaakt en laten de sporen na van een kunstenaar die de wereld ferm en ongemoeid naar zijn hand wil zetten.

Deze nieuwe sculpturen net zoals de titel van de expo “Guitar solo’s inwicked nature seasons” kregen titels “The Governess” en “The implosion of Jonathan Swift” die de context en bijgedachten verschuiven naar domeinen zoals het sprookje en rock-’n-roll van het stevige soort.

De nieuwe ‘kleurloze’ sculpturen met een sierlijk silhouet dat de gelijkenis verdraagt van een vogel transformeert en “vervelt” binnen de sculptuur naar een abstracte huid die zelfs doet denken aan het geperforeerde canvas van Enrico Castellani. De Italiaanse kunstenaar die ook al in het zog van de Zero beweging een poging ondernam om te ontsnappen aan de dwang van formele categorieën en etiketten.
De nieuwe sculpturen van Peter Rogiers zijn ‘kleurloos’ en staan en haken zoals ander werk aan een grillig en functioneel frame van buizen die het werk qua verschijningsvorm en opbouw “aards” en transparant houdt.
De nieuwe witte “vogelsculpturen” zijn minder “aanlokkelijk” dan de recente witte palmbomen: de “vogels” zijn naar Jeroen Bosch neigende kreupele gedrochten waarin de schoonheid zich verschuilt in een bolster van artistieke weerspannigheid. Niet de verwijzing maakt hier het criterium uit maar wel de volle en expansieve creatieve opbouw van een beeld die niet is “ingegeven” door gratuite gevoelens, melig gezanik of
transparante mimesis.

Het maakproces van deze sculpturen is dan ook zwaar en hard labeur; het proces van creatie wordt verhinderd door technische problemen om vormen aan elkaar te houden; broze evenwichten te vinden en om per slot van rekening er zeker van te zijn dat de sculptuur in de wereld blijft staan.
Peter Rogiers is en blijft één van de beeldhouwers die wars van alle persoonlijke belangen met zijn kunst blijft haperen in moedige koppigheid (zeker) niet toe te geven aan het maken van welke gezapige vorm van kunst dan ook.

Met andere woorden, kunst die niet opfleurt maar opbeurt door het avontuur in de vorm waarmee Peter Rogiers ons pleziert en confronteert met de realiteit van de ons omringende banaliteit.
Zijn nieuwe tekeningen zijn ook te beschouwen als aanstekelijke denkmallen waarin werelden kantelen en de verbeelding de grauwe
actualiteit verjaagt.

Luk Lambrecht – 28.12.2009
(*) song van The White Stripes